De planeet van de hemel. Een verhaal over de toekomst

Door: Trudy van Rooij
27 mei 2018

‘Ik heb de formulieren ingevuld,’ zegt Laura tegen mij. ‘Je hebt geluk dat ik veertien ben.
Normaal worden mensen boven de vijftig geacht op de natuurlijke manier te gaan, maar minderjarigen mogen hun ouders meenemen. Als je hier je vingerafdruk zet kunnen we morgenochtend mee.’

Ik lach om haar idee. Als peuter was mijn meisje al zo’n snelle denker en had ze al zo’n interesse in techniek. Ik heb haar er altijd om bewonderd. Misschien, achteraf gezien, had ik dat beter kunnen afremmen, haar aardser moeten maken. Ik had haar, om de tijd te doden, destijds mee moeten nemen naar het bos, haar moeten knuffelen en met haar moeten schommelen. De golven moeten laten voelen van de zee. Maar in die tijd werkten de mensen nog thuis. Terwijl ik boven op zolder organen ontwierp zat zij aan haar bureautje naast me. Spelenderwijs leerde ik haar waar ik mee bezig was. Toen ze tien was ontwierp ze al een breinimplantaat om haar spastische vriendje te helpen. Ik vertelde het trots aan iedereen die het wilde horen.

Ze kijkt me nu kwaad aan, alsof ik de rem ben op haar ontwikkeling. ‘Ik wil met de raket mee naar de planeet!’ roept ze. ‘Naar de planeet van de hemel!’ Ze slingert me verwijten toe. In stilte wens ik wat ik al jaren wens: dat Stephen Hawking destijds gedaan had wat zijn vader wilde en met dezelfde vurigheid als waarmee hij het heelal had bestudeerd zich had toegelegd op parasieten. Dan had mijn man nog geleefd, mijn zoon.

Laura schreeuwt woorden waarmee ze me tot in mijn kern kwetst. Zoals ik dat ook bij mijn moeder deed toen ik een puber was. Ik houd me voor dat ze haar eigen persoonlijkheid wil ontwikkelen. Ik ben gewoon een makkelijk doelwit. Rustig blijven, heb ik gelezen, onderhandelen. Zo kan ik haar begeleiden op haar levenspad.
Zo kalm mogelijk zeg ik: ‘Natuurlijk wil ik ook bij papa zijn, en bij Harry.’ Ik moet haar nu niet aankijken, ze zou mijn tranen zien en dat mag nu niet. ‘Maar het voelt voor mij nu niet goed om de reis te maken,’ zeg ik. Ik moet tijd winnen. ‘Misschien kunnen we de volgende keer meegaan.’
‘De volgende keer is volgend jaar. Ik wil nu.’

Laura is de enige die ik nog heb. Ik wil bij haar zijn, voor altijd. Ze ruikt hetzelfde als mijn overleden zusje, ze heeft dezelfde handen als mijn moeder die ik mis.
‘Op de planeet van de hemel voel je geen honger en geen pijn,’ zegt Laura.
‘Ook niet die van een bevalling,’ werp ik tegen. ‘Of de spierpijn na een uurtje rennen.’
Ze draait met haar ogen alsof ik haar niet begrijp. Als puber zou ik dat ook gedaan hebben. Maar mijn lichaam leerde me wat ik nu weet.

‘Op de planeet van de hemel bestaat alleen je geest,’ zegt ze. ‘En daar moet ik het van hebben.’ Ze haat haar lichaam. Dat zal wel komen door de barbies waarmee ik haar vroeger liet spelen. Laura lijkt meer op mij. Net als ik heeft ze altijd warme handen, dikke dijen en ellebogen waarvan men nu zegt dat ze niet kloppen en hersteld moeten worden. Geen wonder dat ze haar lichaam wil kwijtraken. Geen wonder dat ze weg wil bij mij want ik confronteer haar met een lelijk toekomstbeeld. ‘Op de planeet van de hemel is iedereen gelukkig,’ zegt ze. ‘Daar is geen oordeel.’

‘Je hebt er geen lichaam,’ zeg ik. ‘Je kunt er de lente niet ruiken, de regen op je huid niet voelen, of de stilte voor een storm.’
Ze draait weer met haar ogen, zoals ik vroeger ook deed toen ik veertien was.
Al die lichamelijke sensaties waren de reden om niet ook te gaan, toen mijn man stierf, en later mijn zoon. Het strandzand tussen mijn tenen en een bord linzensoep met rozijnen hadden me hier gehouden, bij mijn lieve zachte Laura.

Ik zeg: ‘Op de planeet van de hemel is er geen verliefdheid.’ Dat had ik niet moeten zeggen. Ik zie het meteen aan haar neusje. Ze heeft liefdesverdriet, al twee weken. ‘Je bent zo mooi,’ zeg ik, om het goed te maken. Maar ze kijkt me woedend aan.
‘Ik lijk op een veenlijk,’ snauwt ze. Ze doelt op de opgegraven vrouw die in het prehistorisch museum te zien is, waar ik haar afgelopen zaterdag mee naartoe heb genomen.
Hoe goed het ook bedoeld was, ik wilde haar laten zien dat mensen er altijd uit hebben gezien zoals wij en dat ze geen cosmetische operatie nodig had, het bleek een kardinale fout. Hierdoor wilde ze weg van hier en ging ze op zoek via wegen die ik niet ken.

‘Mama,’ zegt ze, nu met een lievere stem. ‘Als je het nu niet doet, doe ik het vannacht wel, als je slaapt. Dan pak ik je vinger en druk ik hem op het scherm. Dan ben ik vertrokken tegen de tijd dat je wakker wordt.
‘Je gaat toch niet alleen?’ vraag ik, geschrokken.
‘Ja,’ zegt ze en ze kijkt me niet aan. Ik ken haar. Ze zegt het stoerder dan dat ze het voelt. Maar als ze zoiets zegt, doet ze het.Ik wil haar niet kwijtraken. Als ik haar kwijtraak ben ik de laatste. ‘Wat zal er hier achterblijven?’ vraag ik. ‘De mensen die de geest belangrijker vinden dan het lichaam zullen vertrekken. De lijflijken blijven achter. De vrouwen die nog zelfstandig kunnen baren, de boeren. Er zal weer genoeg te eten zijn.’

Ze draait weer met haar ogen, zegt: ‘Ik ga morgen, hoe dan ook.’
Ik lig wakker. Ik wil het merken als Laura mijn warme hand komt pakken, als ze mijn wijsvinger op het scherm drukt en ons daarmee zal scheiden.
Dan staat ze naast me. ‘Mama,’ fluistert ze. Ik doe alsof ik slaap. ‘Ik houd van je,’ zegt ze, ‘Maar ik wil ook bij papa zijn, en bij Harry.’

Terwijl ze mijn vinger op het scherm drukt kijk ik voorzichtig op naar haar gezicht.
Ik zie een traan, haar laatste. Ik wil haar zeggen hoe belangrijk haar lichaam is voor haar ontwikkeling. Dat het voor mijn gevoel niet goed is wanneer je naar de planeet van de hemel gaat zonder de pijn te voelen van het sterven. Maar het heeft geen zin dat haar te zeggen want ze zal me niet begrijpen.
Altijd had ik gehoopt dat zij ook een puberdochter zou krijgen zodat ze, net als ik, ook de lessen zou leren. Ik wilde haar begeleiden op haar levensreis, gewoon zoveel mogelijk bij haar zijn.

Ik doe iets waarmee ik mezelf verbaas. Ik ga zitten, zeg: ‘Ik wil met je mee.’ Ik hap naar adem, want ik weet dat er nu geen weg meer terug is.
Ze houdt me vast, en ik houd haar vast. ‘We laten de aarde voor de lichamelijken,’ zeg ik haar. ‘We volgen de weg van de geest.’ Ik sta op, voor de laatste keer, en ga met haar mee op reis. Ik weet wat ik achterlaat, en ik aai over mijn dochters zachte huid.

Eerder verschenen in STT85: Wie wij worden, Toekomstbeelden van mensen in 2050 (2016, E. Willemse)